
|
LAAKDAL Algemeen
Wapenschild & Logo van Laakdal. Het linkergedeelte van het wapenschild is afkomstig van het familiewapen van Wouter Berthout, Heer van Mechelen en het Land en de Heerlijkheden van Geel. Bij het Land van Geel hoorden destijds ook de deelgemeenten Eindhout en Veerle. De Merodes stammen op hun beurt af van de adellijke familie Berthout. Dit familiewapen kan men daarom ook (in gewijzigde vorm) terugvinden in Geel, Westerlo en Retie. Heradiek: drie rode balken op een gouden veld met een kwartier van wit hermelijnbont met daarin vijf hermelijnstaartjes. Het rechtergedeelte is afkomstig van het wapenschild van Vorst dat op haar beurt toebehoorde tot Diest en de prinsen van Oranje. Het wapenschild van Vorst is afkomstig van de Heren van Diest: een gouden veld met twee dwarsbalken van sabel. Het wapenschild van Meerhout is hetzelfde met daarin een kleine zilveren of zwarte Franse lelie rechts bovenaan. Zowel Meerhout als Vorst en Zichem hoorden toe tot de Heren van Diest. Diest (in België) op zijn beurt werd samen met Breda (NL), Oranje (F) en Dillenburg (D) "Oranjesteden" genoemd. Die steden behoorden bijna drie eeuwen tot het domein van de prinsen van Oranje-Nassau. In 1398 kwam Vorst bij het huis van Diest en vanaf 1660 vormde Meerhout en Vorst een eigen heerlijkheid of drossaardschap tot de Franse Revolutie. Vorst en Meerhout beschikten over een gezamenlijke gevangenis op de Borcht (in Vorst). De molen in Meerhout heet nog altijd Prinskensmolen, herinnerend aan de afkomst van de Prinsen van Nassau.
Historiek van
Laakdal
Laakdal werd
in 1977 kunstmatig gevormd door de fusie van de vroegere autonome gemeenten
Eindhout, Vorst en Veerle. Veerle had zes jaar voordien al het kleine
Varendonk opgeslorpt. De nieuwe gemeente Laakdal omvat nu vijf parochies:
Eindhout, Vorst, Vorst-Meerlaar (ook wel Klein-Vorst genoemd), Veerle en
Veerle-Heide. De vroegere woonkernen hebben een langere geschiedenis,
waarvan het prille begin in de Vroege Middeleeuwen is te situeren. De
leefgemeenschap zoals het huidige Laakdal was toen onbestaande want de
voormalige deelgemeenten en parochies behoorden tot verschillende
grondheren, bestuurlijke indelingen en bisdommen. De dorpjes Veerle en
Eindhout hadden als onvruchtbaar oord in de Kempen weinig aantrekkingskracht
op de mens in de prehistorie. Weinig vondsten dateren uit die tijd. Pas in
de Vroege Middeleeuwen vestigden de eerste mensen zich hier definitief. Dat
gebeurde ook in Vorst, waar wel sporen van prehistorische en Gallo-Romeinse
bewoning werd gevonden. Lodewijk de Kale schonk Vorst in 877 aan de abdij
van Nijvel. De kerk werd daarom gewijd aan Gertrudis, de eerste abdis van
Nijvel. Vanaf de 11de eeuw hebben de graven van Leuven en later
de hertogen van Brabant hun voogdijrechten op kloosters uitgebreid en zich
vele bezittingen en rechten toegeëigend. Dit gebeurde ook in Vorst. In de 13de
eeuw bezat de hertog van Brabant de helft van Vorst (centrum) als allodiaal
goed. De andere helft (Klein-Vorst) bleef eigendom van de abdij van Nijvel,
Die gaf het domein als leengoed in beheer aan de familie van Tergalen. Die
familie bouwde een omwalde hofstede op de Borcht. De Karolingische vorsten
gaven het geestelijk bestuur van Veerle in handen van de Sint-Nicasiusabdij
van Reims die er het patronaatsrecht, een aantal goederen en een deel van de
tienden-rechten verwierf. Eind 12de eeuw gaf die abdij het bestuur aan het
kapittel, later priorij van Bierbeek, die zich in de 13de eeuw
van haar rechten en goederen in Veerle ontdeed ten voordele van de abdijen
van Averbode en Tongerlo. De familie Berthout van het Land van Geel,
verwierf het patronaatsrecht in Eindhout en schonk het in 1252 aan de abdij
van Averbode. In Vorst handelde de familie van Ter Galen gelijkaardig en zo
zal de abdij van Averbode een grote rol spelen in de economische en
religieuze ontwikkeling van de drie dorpen. Het was ook die abdij die
tijdens de Late Middeleeuwen in het gebied Varendonk, Blaardonk en
Watereinde een onafhankelijk bestuurlijk statuut, los van Geel, kon
verwerven en zo aan de basis lag van de miniatuurgemeente zonder kerk of
school. Vanaf de 14de eeuw bestuurden Norbertijnen van Averbode
de parochies, ook al waren ze gelegen in verschillende bisdommen: Eindhout
en Vorst behoorden tot het bisdom Luik terwijl Veerle behoorde bij het
bisdom Kamerijk. De abdij stimuleerde verder de ontginning van de gronden
door de bouw van hoeven. Veerle en Eindhout werden als onderdeel van het
Land en het Kwartier van Geel door de hertogen van Brabant afgestaan aan een
tak van de machtige familie Berthout. De “heren van Geel” stemden in de 13de
eeuw toe dat in beide dor-pen een gedeeltelijk autonome schepenbank werd
opgericht. De drossaard van Geel, later ook zijn plaatsvervanger de meier,
moesten toezien dat de rechten van de heer er werden geëerbiedigd. Vorst
kwam in 1398 samen met Meerhout en Zichem onder het huis van Diest en de
Prins van Oranje-Nassau en stond aldus onder “hoge heren”. Vanaf 1660
vormden Vorst en Meerhout een eigen heerlijkheid onder eenzelfde drossaard
en de dorpen hadden een gezamenlijke gevangenis op de Borcht. Dat bleef zo
tot aan de Franse Revolutie. De dorpen ontwikkelden zich verder aan een
bescheiden knooppunt van wegen, waarvan de weg van Diest naar Geel en
Turnhout de belangrijkste verkeersader was. In het kielzog van de
linnennijverheid in de nabije steden en gemeenten als Diest, Geel en Mol kon
er ook een beperkte textielnijverheid plaats hebben. De Halle van Veerle was
er het symbool van. Aan het eind van de Middeleeuwen was er ook wijnbouw in
de dorpen aan de Laak, maar landbouw was en bleef de belangrijkste bron van
inkomsten. Grote domeinen van kerkelijke en particuliere grootgrondbezitters
stimuleerden de landbouw en de ontginning van tot dan onbewerkte gronden. In
de 13de eeuw vond er een ontbossing plaats, in de 16de
eeuw werden heidegronden ontgonnen, beekdalen bij de Laak werden door
irrigatie en waterafvoer meer en meer drooggelegd en tot vruchtbare weiden
omgetoverd. De economische bloei werd afgeremd door misoogsten, epidemieën,
maar meer nog door oorlogsgeweld dat eeuwenlang woekerde. De middeleeuwse
periode werd pas begin 17de eeuw afgesloten. De Katholieke
Hervorming werd plaatselijk doorgevoerd met een herstel van de kerk en de
godsdienst, de oprichting van de eerste school een vernieuwde administratie.
Het meest overtuigende bewijs van een in zichzelf gelovende mens die zich
niet meer neerlegde bij de kwalen van een ‘straffende God” zoals in de
Middeleeuwen was de zelfverdedigingreflex die optrad vanaf 1621 met de bouw
van schransen, de oprichting van gilden, burgerwacht en intergemeentelijke
bodedienst. De 18de eeuw, de periode van de Verlichting, werd in
de dorpen gekenmerkt door een strijd tussen kerkelijke en wereldlijke
gezagsdragers. Herhaaldelijk waren er conflicten over de aanstelling van de
onderwijzer, over de kerkmeester, over het betalen van dorpsbelastingen en
over vrijstelling van tiendenbetaling. Het dorpsbestuur poogde de invloed
van de abdijen, de kerk en de pastoor terug te dringen. De maatregelen van
keizer Jozef II en meer nog de Franse Revolutie zouden de oude instellingen
en politieke structuren opheffen. Zo kwamen de dorpen in de 19de
eeuw met een betere hygiëne en gezondheid door medische controle, verharde
wegen met toenemend handels- en militair vervoer, een tramlijn, een
verhoogde veiligheid door de bouw van een Rijkswachtkazerne en de
burgerwacht. De industriële revolutie was eind 19de eeuw minder
van belang dan de enorme verbeteringen in de landbouw. Het aantal kleinere
boerderijen steeg, het aantal landbouwwerklieden daalde.
Pas vanaf
1900 zou de bevolking drastisch stijgen door de industriële revolutie die
eindelijk gevolgen had met grootschalige seizoen-, mijn- en fabrieksarbeid,
verhoging van de welstand en de gevolgen daarvan: betere en mooiere huizen,
wegen, snellere vervoermiddelen, enz. De eerste wereldoorlog betekende
economisch een stap terug, maar stimuleerde verder de emancipatie. Steeds
meer verenigingen werden opgericht, bedoeld om aan belangenverdediging te
doen, om ontspanning of cultuur te bedrijven. De aanleg van kanalen,
spoorlijnen en nieuwe wegen werden tijdens het Interbellum niet benut. De
daarmee samenhangende industrialisatie bleef op het grondgebied uit. De
dorpen van het latere Laakdal leken in te dommelen maar toen lonkten ver weg
“de put en de biet”. Seizoenarbeid in Veerle en Eindhout, klompenmakerijen
en mijnarbeid in Vorst bezorgden honderden mensen werk. De mooie huizen en
het stijgend aantal herbergen toonden voldoende. De vroegere
landbouwknechten brachten veel geld mee en gaven het uit. De plaatselijke
handelaars profiteerden mee van de grotere koopkracht. Waar elders in de
wereld de Tweede Wereldoorlog verschrikkelijk huis hield, bleven de gevolgen
van die ramp vrij beperkt met weinig menselijke slachtoffers, materiële
schade en miserie. Toch was de bevrijding een opluchting na vier jaar
tergende bezetting, hatelijke opeisingen en jacht op jonge mannen. De
vooroorlogse groei van bevolking, tewerkstelling, lonen, handelszaken en
huizenbouw ging verder. Vooral in de jaren zestig leek alles te kunnen. De
materiële groei zorgde voor een kentering in de geest, waarbij de taak van
de voornaamste instellingen, kerk en school werden herzien. De kerkbezoekers
verminderden en vergrijsden. De draaikolk van de fusiebeweging verzwolg de
kleine gemeenten en op 1 januari 1977 werden de inwoners van die eeuwenoude
dorpen voor het eerst wakker in Laakdal. LaakdalVeerle, Eindhout en Vorst vormen samen het groene Laakdal. Wandelgrage gezinnen vinden hier een klein paradijs. Maar ook het verleden is nooit veraf. Enkele oude monumenten sieren het gemeentelijk patrimonium.
Klompenmuseum Wist jij dat Laakdal vroeger het Mekka van de Kempense klompennijverheid was? Via talrijke kleine bedrijven werden de omliggende gemeenten bevoorraad met degelijk schoeisel. In het Klompenmuseum herleeft dit oude ambacht via boeiende tentoonstellingen en demonstraties. De uitgebreide collectie vertelt de geschiedenis van de klompenmakerij. Daarnaast toont een klompenmaker je live alle knepen van het vak. Als afsluiter kan je een paar originele Laakdalse klompen aankopen.
Laakoevers en andere schilderachtige
plekjes Het fraaie natuurschoon
is hier attractie nr. 1. De uitgestrekte bossen reiken tot aan de abdij van
Averbode, op de grens met Vlaams-Brabant. Niet minder dan
Natuurgebieden in LaakdalLaakdal is rijk aan
natuurgebieden in de Laakvalleien. Langs de oevers van de Kleine Laak
liggen de natuurgebieden Ossenbroeken, Craeywinckel en Swinnebroeken. Het is
een groengebied van
Kastelen in Laakdal
Veerle: Kasteel van
Spaanse baron Zerezo de Tejada
|
![]() |
| START |